Op het scorebord
- Pin
- Een van de tien kegels aan het einde van de baan.
- Frame
- Eén beurt van een game. Meestal maximaal twee worpen; in het tiende frame kun je bonusworpen verdienen.
- Game
- Een spel van tien frames.
- Strike
- Alle tien pins om bij de eerste worp. Op het scherm staat een X.
- Spare
- Alle tien pins om met twee worpen in dezelfde beurt. Op het scherm staat een /.
- Open frame
- Een beurt waarin na twee worpen nog pins staan.
- Double / turkey
- Twee strikes achter elkaar heet een double; drie achter elkaar een turkey.
- Perfect game
- Twaalf opeenvolgende strikes in één game, goed voor 300 scratchpunten.
Op en naast de baan
- Approach
- De aanloopzone vóór de bowlingbaan.
- Foul line
- De lijn tussen de aanloopzone en de baan. Kom je tijdens of na je worp over de lijn en raak je de baan of iets daar voorbij aan, dan is dat een foul: de pins van die worp tellen niet.
- Arrows / dots
- De pijlen en stippen waarmee je een richtpunt en beginpositie kunt kiezen.
- De ruimte tussen pin 1 en 3 voor een rechtshandige bowler; tussen pin 1 en 2 voor een linkshandige.
- Split
- Na de eerste worp staan pins uit elkaar, terwijl de voorste pin weg is. Vaak een lastige spare.
- Gutter ball
- Een bal die in de goot belandt voordat hij de pins raakt.
Over de bal
- Coverstock / core
- De buitenlaag en de kern van een bowlingbal.
- Release
- Het loslaten van de bal tijdens je worp.
- Hook
- De bocht die een bal tijdens het rollen maakt.
- Oliepatroon
- De verdeling van olie op de baan. Die beïnvloedt hoe de bal glijdt en reageert.
In de competitie
- Scratch
- Je gegooide score zonder handicap.
- Handicap
- Extra punten bij je scratchscore om verschillende niveaus tegen elkaar te laten spelen.
- Gemiddelde
- Je totale scratchscore gedeeld door het aantal gespeelde games.
- Serie
- Meerdere games samen. Op onze leagueavond gaat het om drie games; bij een serie inclusief handicap tellen de handicappunten mee.
- Position Round
- Een ronde waarin je plaats in de teamstand bepaalt tegen wie je speelt.
